Bert Hellinger: Het midden voelt licht aan. Deel 5: Verhalen met een Draai
Bert Hellinger:
18 oktober 2020 

Bert Hellinger: "Het midden voelt licht aan". Deel 5: "Verhalen met een Draai"

Hoe zijn familieopstellingen ontstaan? 

Vinden we antwoorden in oudere boeken van Bert Hellinger?

Dit boek van Hellinger stamt uit 1996

Het gaat over het systemische midden en heeft als titel: ‘Het midden voelt licht aan’. 

 

Familieopstellingen zijn een bijzonder fenomeen.

Het wezen van een familieopstelling is wezenlijk anders dan het westerse goed of fout.

In essentie komt het erop neer, dat het de kunst is alle facetten in je hart te sluiten.

Dat hoeft niet te betekenen dat je het met alles eens bent.

Je kunt het zien, erkennen en een plek in je hart geven.

Als je dat wat toch al bestaat niet erkent, kan dat schadelijke gevolgen hebben voor een succesvol leven, voor je relaties en je gezondheid.

 

Dit is één van Bert Hellingers eerste boeken.

Daarmee reis ik terug naar de roots van opstellingen.

Als je dit boek leest, ontdek je dat dit boek de kraamkamer is van al zijn volgende boeken.

 

Ik vertaal zo’n 7 – 10 pagina’s per week.

Dit is deel 5: “Verhalen met een Draai.

Het midden voelt licht aan

Om te beginnen vertel ik jullie een filosofisch verhaal, waarin de tegenstanders om kennis en waarheid strijden, zoals anderen in andere verhalen om oplossing of redding.

Maar kan hier degene die lijkt te winnen niet overleven zonder degene die heeft verloren; want hoe kan iemand ooit de bron overwinnen terwijl hij er nog van drinkt?

Maar als we het verhaal horen, hoeven we geen standpunt in te nemen en voelen ons daarom zolang het verhaal duurt op wonderbaarlijke wijze bevrijd van de dwang van tegenstellingen. Pas als we onszelf opnieuw verhouden of handelen en daarom moeten beslissen, komen de tegenstellingen bij ons terug.

 

Twee soorten kennis

Een geleerde vroeg een wijze man
hoe het enkele zich bij het geheel voegt
en hoe kennis van het vele
zich van kennis over overvloed
onderscheidt.

De wijze zei:
“Wat wijd verspreid is, wordt één geheel,
als het een middelpunt vindt
en tezamen functioneert.

Want alleen door een midden wordt het vele
wezenlijk
en echt,
en de volheid ervan lijkt dan eenvoudig,
bijna weinig,
als kalme kracht naar de volgende,
en onderop blijft
en dichtbij wat draagt.

Om overvloed te ervaren
of te communiceren
Hoef ik niet alle details
te weten,
te zeggen,
te hebben,
te doen.

Degene die de stad in wil
komt door een enkele poort binnen.
Wie een keer op een bel slaat,
laat met die ene toon nog vele anderen klinken.
En wie de rijpe appel plukt,
hoeft de oorsprong ervan niet te beseffen.
Hij houdt het in zijn hand
en eet.

De geleerde wierp tegen dat wie de waarheid wil,
Ook alle details moet kennen.

Maar de wijze sprak het tegen.
Men weet alleen veel over oude waarheid.
Waarheid die ons verder brengt,
is gewaagd
en nieuw.

Want ze verbergt haar einde
als een zaadje de boom.
Wie dus aarzelt om te handelen,
omdat hij meer wil weten
dan de volgende stap toelaat
mist wat werkt,
Hij pakt de munt
voor de goederen,
en uit bomen
maakt hij hout.

De geleerde meende,
dat dit slechts een deel van het antwoord kan zijn,
en hij verzocht hem
om een beetje meer.

Maar de wijze wuifde het weg,
want in het begin is volheid als een vat vol most:
zoet en troebel.
En het vergt gisting en genoeg tijd
totdat het opklaart.
Wie dan, in plaats van proeven, drinkt
begint te zwalken.

 

Wegen naar wijsheid

De wijzen stemmen in met de wereld zoals die is
zonder angst en zonder intentie.

Hij heeft zich verzoend met de vergankelijkheid
en streeft niet verder dan dat wat met de dood sterft.

Hij houdt het overzicht omdat hij in harmonie is
en grijp alleen in voor zover de stroom van het leven dit vereist.

Hij kan onderscheiden: is het mogelijk of niet,
omdat hij onbedoeld is.

Wijsheid is de vrucht van lange discipline en oefening,
maar wie het heeft, heeft het zonder enige moeite.

Wijsheid is altijd onderweg en bereikt haar doel, niet omdat ze zoekt.
Ze groeit.

 

Het midden

Iemand wil het eindelijk weten. Hi springt op de fiets, fietst in het open landschap en vindt een eindje verderop een ander pad.

Er zijn hier geen verkeersborden, dus vertrouwt hij op datgene wat hij met zijn ogen voor zich ziet en wat zijn looppas kan meten. Hem drijft iets als ontdekkingsplezier en wat eerder voor hem een ​​voorgevoel was, wordt nu zekerheid.

Maar dan eindigt het pad bij een brede rivier en gaat naar beneden. Hij weet dat als hij verder wil, hij alles wat hij bij zich geeft op de oever moet achterlaten. Dan verliest hij zijn vaste grond onder de voeten en zal door een kracht gedragen en voortgestuwd worden die meer eist dan hij, zodat hij zich eraan moet overgeven. Daarom twijfelt hij en deinst hij achteruit.

Als hij weer naar huis fietst, wordt hem duidelijk dat hij maar weinig dingen weet die hem helpen en dat hij dat anderen maar moeilijk kan overbrengen. Het was hem te vaak vergaan als de man die iemand op zijn fiets volgt omdat zijn spatbord rammelt. Hij roept naar hem: “Hé jij, je spatbord rammelt!” “Wat?” “Je spatbord rammelt!” “Ik kan je niet verstaan” roept de ander terug, “mijn spatbord rammelt.”

“Er is vast iets misgegaan” denkt hij. Dan trapt hij op de rem en draait om.

Een poosje later ontmoet hij een oude leraar. Hij vraagt: “Hoe doe je dat dan, als je anderen helpt? Vaak komen mensen naar je toe en ze vragen je advies over dingen waar je maar weinig vanaf weet. Maar daarna gaat het ze beter.”

De leraar gaf als antwoord: “Het ligt niet aan wat je weet, als iemand op de weg staan blijft en niet meer verder wil. Want hij zoekt zekerheid daar waar moed gevraagd wordt en vrijheid waar het juiste hem geen keuze meer laat. En zo loopt hij in cirkels rond.”

Maar de leraar is bestand tegen bezwaren en schijn. Hij zoekt het midden en daar wacht hij gefocust -als iemand die de zeilen hijst voor de wind- of hem misschien een woord bereikt dat werkt. Als de ander dan bij hem komt, vindt hij hem daar waar hij zelf zijn moet en het antwoord is voor beiden. Ze zijn beiden luisteraars.

En hij voegde toe:” Het midden voelt licht aan.”

De zuivere waarheid schijnt helder
maar net als de volle maan
verbergt ze een donkere kant.
Het verblindt ons, omdat ze schijnt.

Hoe meer we de naar ons gekeerde zijde
proberen te begrijpen of er grip op willen hebben,
hoe meer verbluft
het afgewende stiekem
ons begrip ontglipt.

 

De ommekeer

Iemand wordt geboren in zijn familie, moederland en cultuur en als kind hoort het wie ooit een voorbeeld was, hun leraren en leermeesters en voelt dan de diepe behoefte om net zo te worden en te zijn als zij.

Het kind sluit zich aan bij gelijkgestemden, oefent jaren lang met grote discipline en volgt zijn grote voorbeeld, totdat het net als hij is geworden en net zo denkt, spreekt, en voelt als hij.

Maar hij meent, dat er nog één ding ontbreekt. Hij gaat op pad om zich in zijn diepste eenzaamheid misschien zijn verste grens te overschrijden. Hij komt langs oude tuinen, die al lang verlaten zijn. Er bloeien alleen nog verwilderde rozen en de hoge bomen dragen jaarlijks fruit, dat helaas achteloos op de grond valt, omdat er niemand is die het wil. Daarna begint de woestijn.

Al snel wordt hij omgeven door een onbekende leegte. Elke richting oogt voor hem hetzelfde en ook wat hij voor zich ziet ziet er soms leeg uit. Hij dwaalt zoals het hem vooruit drijft en als hij zijn zintuigen allang niet meer vertrouwt, ziet hij een bron voor zich. Het borrelt omhoog uit de aarde en sijpelt snel weg. Maar daar waar het water reikt, verandert de woestijn in een paradijs.

Als hij om zich heen kijkt, ziet hij twee vreemden aankomen. Zij hebben het precies als hij gedaan. Ze hebben hun voorbeeld gevolgd, totdat zij eender werden. Zij waren net als hij op pad gegaan om in de eenzaamheid van de woestijn wellicht een laatste grens te overschrijden. Ook zij vonden net als hij de bron. Ze bukten samen, dronken van dezelfde bron en waanden zich bijna op de eindbestemming. Toen zeiden ze hun namen: “Ik heet Gautama, de Boeddha.” “Ik heet Jezus, de Christus.” “Ik heet Mohammed, de Profeet.”

Maar dan komt de nacht en boven hen schijnen de sterren zoals altijd onbereikbaar ver en stil. Ze worden allemaal stil, en één van de drie voelt zich dichter bij het grote voorbeeld dan ooit tevoren. Het lijkt hem alsof hij even zou kunnen raden wat er met hem was gebeurd toen hij het wist: de onmacht, de ijdelheid, de nederigheid. En hoe het hem ook zou vergaan, hij zou ook van de schuld af weten.

De volgende morgen keert hij om en ontsnapt aan de woestijn. Nog één keer voert zijn weg langs de verlaten tuinen, tot hij bij de tuin aankomt die van hemzelf is. Voor zijn ingang staat een oude man alsof hij hem opwachtte. Hij zegt: “Degenen die van zo ver weg hun weg terugvonden, houden van de vochtige aarde. Hij weet, dat alles dat groeit ook sterft en als het stopt, voedt. “Ja” geeft de ander als antwoord, “Ik ga akkoord met de wet van de aarde.” En hij begint erop te verbouwen.

 

De leegte

Studenten lieten een meester achter
en toen ze weer naar huis gingen
vroegen ze nuchter:
‘Wat hadden we bij hem te zoeken?’

Toen merkte iemand op:
‘We zijn blind in een koets,
die een blinde koetsier
met blinde paarden
blindelings vooruit reed.
Maar we zouden we net als blinden
zelf op de tast lopen,
voelen we misschien
wanneer we aan de rand van de afgrond staan
met onze stok
dat niet.

*

De heldere beelden of mythen
maken deel uit van de duisternis van de geest,
die de held onderweg overwint,
zodat hij zijn hoofd niet verliest.

Foto’s die werken zijn donker.

 

De bekering

Een man had twee zonen. De jongste van hen zei tegen zijn vader: “Vader geef me mijn deel van het fortuin.” De vader werd verdrietig omdat hij zag wat zijn zoon in zijn schild voerde, maar hij gaf het hem.
Een ​​paar dagen later pakte de jongste zoon alles bij elkaar, trok naar een ver land en verkwistte zijn fortuin met een losbandig leven. Toen hij alles opgemaakt had, kreeg hij honger en hij verhuurde zich aan de eigenaar van eens tuk land land en zorgde voor zijn varkens. Graag had hij gegeten wat de varkens aten, maar niemand gaf hem wat.
Bij die eigenaar trof hij een jongeman die het precies zo had gedaan als hij. Ook hij had zijn deel van het fortuin opgevraagd, was naar hetzelfde verre land was verhuisd, alles met zijn losbandige leven verkwist en en belandde net als hij bij die varkens.
Nu keerden ze zich beiden naar binnen en de ene zei: “de knechten van mijn vader hebben en overvloed aan brood en ik, zijn zoon, sterf hier van de honger. Ik zal me opmaken om naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: “Vader ik heb gezondigd voor de hemel en voor jou Ik ben het niet meer waard je zoon genoemd te worden. Beschouw mij als een van je knechten.”
De ander zei: “Ik pak het anders aan. Ik ga morgen al naar de markt, zoek een betere baan, spaar een klein vermogen, trouw met één van de dochters in dit land en zal leven zoals de andere mensen hier ook.”
Toen keek Jezus naar zijn toehoorders en vroeg: “Wie van hen beiden zou de wens van mijn vader vervullen?”
Het exacte nummer van het manuscript ben ik helaas vergeten.

Het oordeel

Een rijke man stierf en toen hij bij de hemelpoort aankwam, klopte hij aan en vroeg om toelating. Petrus deed open en vroeg wat hij wilde.
De rijke man zei: “Ik had graag een eersteklas kamer met prachtig uitzicht over de aarde en daarbij elke dag mijn favoriete eten en de nieuwste krant.”
Petrus verzette zich eerst, maar toen de rijke man ongeduldig werd, leidde hij hem naar een eerste klasse kamer, bracht hem zijn favoriete gerecht en de nieuwste krant, draaide zich weer om en zei: “Ik ben over 1000 jaar terug” en sloot de deur achter zich.
Na 1000 jaar kwam hij terug en keek door het luik in de deur. “Daar ben je eindelijk!” riep de rijke man. “Deze hemel is verschrikkelijk!”
Petrus schudde zijn hoofd. “Je vergist je” zei hij. “Dit is de hel.”

De waan

Een circus verwierf een ijsbeer. Maar omdat ze het alleen nodig hadden om tentoon te stellen, zat het opgesloten in een wagen. Het was zo smal dat hij zich niet eens kon omdraaien en dus deed hij telkens twee stappen vooruit en twee achteruit.
Na vele jaren kregen ze medelijden met hem en ze verkochten hem aan een dierentuin. Daar vond hij een ruime behuizing met grote uitloop. Maar zelfs hier zette hij telkens twee stappen vooruit en twee achteruit. Toen een andere ijsbeer vroeg: “Waarom doe je dat?” antwoordde hij: “Omdat ik zo lang in een smalle wagen opgesloten zat.”

*

De bereidheid om te kijken staat ons vaak in de weg, waardoor we dat wat slecht voor ons is, ervaren als verplichting, dit beleven we dan als onschuld. Dat we dat zien, wat ons oplossingen biedt, zoals verraad aan een ordening beleven we als schuld. Dan wordt het kijken vervangen door een innerlijk beeld, en dat wat al voorbij is werkt nog steeds door, alsof het er nog is.
Soms ontstaat het innerlijke beeld alleen door geruchten en schept het een ordening die uitsluitend op verbeelding is gebaseerd. Dan wordt kijken door horen vervangen, de waarheid door willekeur en kennis door te geloven.

De nieuwsgierigheid

Een man vroeg aan een vriend: “Weet jij iets van obsessie?” “Misschien zei de vriend, maar waar gaat het echt om?” “Ik ging met mijn vrouw naar een waarzegster en ze vertelde haar dat ze bezeten was door de duivel. Wat moet ik nu doen?”
De vriend gaf als antwoord: “Degene die naar zo iemand gaat, krijgt boontje om zijn loontje. Want nu ben jij bezeten, maar vanuit een innerlijk beeld, en daar kom je niet snel vanaf. Heb je ooit gehoord van Hernando Cortez? Hij heeft met een paar honderd soldaten het uitgestrekte rijk van de Azteken veroverd. Weet je hoe hij dat kon doen? Hij wist niet wat de anderen dachten.

*

Er zijn verhalen, waarbij die we maar weinig vast hoeven te houden. We horen het als een symfonie, herkennen eerst de ene en dan de andere melodie,  horen enkele woorden uit het koor. Maar dan bewegen we onze vingers of tenen in de Maat en bij de finale loopt er misschien een rilling over onze ruggengraat, die werkt een tijdje na en zonder dat we weten hoe, ervaren we onszelf opgewonden, alsof er een frisse wind door het open raam waait.

De verzameling

De heerser van een koninkrijk dat zijn grenzen aan alle kanten open hield, verdacht zijn vorsten ervan, dat hen meer aan hun provincies gelegen zou zijn, dan aan zijn koninkrijk. En dus nodigde hij hen tegelijkertijd uit in zijn hoofdstad en aan zijn hof.
De eerste heerste over de hooglanden en een wijde vruchtbare vlakte, de tuin van het rijk. Zijn onderdanen stonden bekend om hun alertheid en vooruitziendheid, om hun gevoel voor schoonheid en hun gemakkelijke manier van leven: een efficiënt en gelukkig volk.
De tweede heerste over het middelgebergte, waarbij je in de dalen het echo tot in de laatste hoek kunt horen. Over de onderdanen werd gezegd, dat ze zeer precies waren en op de wet en orde letten. En ze hadden de beste ambtenaren. Ze deden ook veel aan huismuziek.
De derde heerste over de laaglanden. Het grenst in het oosten aan de zee en is nog grotendeels onontgonnen. Zijn onderdanen wonen aan smalle kuststroken, bebouwen kleine omheinde tuinen en weten weinig van elkaar en van de wijde wereld. Maar sommigen van varen uit op de onbekende zee en als ze terugkomen, kennen ze de geheimen van de diepte, de gevaren ervan en hun schoonheid. Maar ze praten er weinig over.
Toen de drie bij het hof arriveerden, koos de heerser zijn mooiste zaal voor hun ontvangst. Reizende kunstenaars uit de hooglanden hadden het vormgegeven. Op de wanden lieten verlichte fresco’s de grenzen van de kamer vervagen en zijn plafond was één enkel schilderij, zo bedrieglijk geschilderd dat je zou kunnen denken dat iemand in de open lucht stond en naar de geopende hemel keek. Door de heldere ramen kreeg men zicht op bloeiende tuinen en de tafels waren met bloemenkransen en bloemen in zo’n kleurrijke overvloed aan vormen en kleuren versierd, dat je ogen tekort kwam bij deze pracht en praal.
Uit het middelgebergte werden musici uitgenodigd, elk meester over zijn instrument, zodat ze een lust voor het oor voor de gasten moesten zijn. De eerste blies de fluit en toverde tonen tevoorschijn, alsof er druppels op een zilveren schaal vallen. En toen hij helemaal naar de snaren greep, galmde een weerkaatsing van vele stemmen door de kamer, werd stiller, alsof het in de verte verder zweefde, en toen was het alsof zelfs de stilte weerklonk, zo wonderbaarlijk was zijn spel.
De tweede streek met de strijkstok over een viool. De tonen klonken zachtjes en vloeibaar,  zwollen aan op en schuifelden zachtjes, spetterden voort, snikten soms, vleiden zich als koerende duiven, knerpten scherp en vloeiden weer zachtjes en vol.
De derde blies een koperen pijp, het klonk alsof de zon scheen, machtig als een vertrek bij morgen, zodat de ramen kletterden alsof ze op het punt stonden te barsten door de heldere toon.
De vierde blies op een buis van bamboe met tonen, alsof je adem hoort stromen, alsof je een merel hoort fluiten en de storm om het huis waait. Dan weer als vogelgekwetter en een eerste ademhaling.
De vijfde klopte behendig met hamers op stukken hout die naast elkaar lagen, zodat ze klonken als het klingelen van glazen of als zilverklokken waar een windvlaag doorheen waait, zodat ze beginnen te klinken als ze worden worden aangeraakt.
De zesde sloeg een pijporgel met acht registers, waarop hij kon neuriën, hummen, brommen, bonzen, brullen, ritselen, ruisen en donderen. Hij gaf het spel van de anderen de resonantie van volle diepte en de tonen waren zo krachtig, dat ze de zaal verhief als in harmonie.
Uit de laaglanden werden dansers en jongleurs uitgenodigd uit om de gasten te vermaken. Ze oefenden de geposeerde passen, de sprongen naar links en naar rechts, de pirouette en de grote gebaren. Daarna strekten ze zich uit om hun spieren te strekken. Eén van hen oefende zelfs geblinddoekt op blote voeten over een wiegend touw te jongleren.
Maar toen kwamen de kokken er al aan met dampende schalen. Je kon de lekkernijen ruiken. Een butler proefde de gekoelde wijn, liet het onder zijn tong door rollen, proefde de bloemen erin, voelde hoe zijn gehemelte zachtjes samentrok, snoof de geur op door zijn neus, moest niezen, maar sprong meteen weer in de houding, want nu begon het entree van de gasten.
Het was een uitbundig feest. Het duurde wel even voordat de gasten met elkaar konden communiceren. Maar begonnen ze elkaar aardig te vinden, presenteerden ze hun kunsten en artiesten aan elkaar, proostten op broederschap wilden nooit meer uit elkaar gaan. Alleen de heerser hield zich vreemd genoeg in, omdat hij erkende hoe vreemd zijn gasten voor hem waren en dat hij -om ze echt te leren kennen- naar hen toe moest komen, net zoals zij naar hem.
De volgende ochtend verschenen de drie vorsten gemeenschappelijk in het openbaar. Maar tegen de middag waren ze al op weg naar huis, ieder terug naar zijn vertrouwde provincie. Van de heerser werd vernomen dat hij ’s morgens vroeg was vertrokken voor de langverwachte reis naar zijn provincies tot aan de grenzen van zijn eigen land.

Het geheel

Een beroemde filosoof was van mening dat een ezel die precies in het midden tussen twee even grote hooibergen staat die allebei even lekker ruiken en even mooi zijn om naar te kijken, verhongeren moet omdat hij dan niet kan beslissen.
Toen een boer dat hoorde, zei hij: ” zoiets overkomt alleen een filosofische ezel, want een echte ezel vreet in plaats van of -of desondanks- als ook.

*

Hetzelfde

De adem blaast en fluistert
de storm raast en brult.
Maar het is dezelfde wind
en hetzelfde lied.

Hetzelfde water
doorweekt ons en verdrinkt,
draagt ​​en begraaft.

Wat leeft, verbruikt,
voedt zich en vernietigt,
met de een als met de ander
aangedreven door dezelfde kracht.

Ze telt.

Wie dienen dan de verschillen?

 

*

Verhalen zeggen, als ze goed zijn, zeggen meer dan dat ze zouden moeten en meer dan we ervan begrijpen. Ze bewegen zich van ons weg, net als de daden van onze intenties en een gebeurtenis van de interpretatie ervan.
Sommige mensen doen, als ze verhalen horen als iemand die ’s ochtends naar het treinstation gaat en op een trein stapt die hem naar verre oorden  brengt. Hij zoekt een plek bij het raam en kijkt naar buiten. De beelden volgen elkaar afwisselend op: hoge bergen, gewaagde bruggen, rivieren op weg naar meer. Al snel kan hij de afzonderlijke beelden niet meer vatten, zo snel gaat zijn reis. Aldus leunt hij achterover en stelt hij zich aan het geheel bloot. Maar ’s avonds, als hij aankomt, stapt hij uit en zegt: “Ik heb veel gezien en meegemaakt.”

Het inzicht

Een groep gelijkgestemde mensen, die zich nog aan het begin waanden, kwamen bij elkaar en ze bespraken hun plannen voor een betere toekomst. Ze waren het erover eens dat ze het anders zouden doen. Het gewone en het alledaagse en deze eeuwige cyclus waren te beklemmend voor hen. Ze zochten naar het unieke, de verte, en ze hoopten zichzelf te vinden als nooit tevoren. In hun gedachten zagen ze zich al bij hun bestemming, ze beschreven hoe dat zou zijn en ze besloten om in actie te komen. “Als eerste” zeiden ze “moeten we de grote meester zoeken, want dat is waar alles begint.” Daarna gingen ze op pad.
De meester woonde in een ander land en behoorde tot een ander volk. Er waren veel vreemde dingen over hem gemeld, maar niemand scheen het precies te weten. Al snel waren ze aan alles wat eerst zo gewoon was ontwend, want hier was alles anders: de gebruiken, het landschap, de taal, de wegen, het doel. Soms kwamen ze op een plek waarvan gezegd werd dat de meester er zou zijn. Maar toen ze meer wilde weten, hoorden ze, dat hij net weer vertrokken was en dat niemand wist welke richting hij was ingeslagen. Op een dag vonden ze hem toch.
Hij was bij een boer in het veld. Zo verdiende hij zijn brood en een onderkomen voor de nacht. Aanvankelijk wilden ze niet geloven dat hij de langverwachte meester was, en de boer was verbaasd dat ze de man die met hem in het veld was, voor zo iets bijzonders hielden. Maar hij zei: “Ja, ik ben een meester. Als je van mij wilt leren, blijf dan nog een week hier. Dan wil ik het jullie leren.
De gelijkgestemden verhuurden bij dezelfde boer en kregen te eten, te drinken en onderdak. Op de achtste dag, toen het al donker werd, riep de meester hen bij zich, ging met hen onder een boom zitten en vertelde hun een verhaal.
Lang geleden dacht een jonge man na over wat hij met zijn leven zou gaan doen. Hij kwam uit een voorname familie, was verschoond van de noodzaak om geld te verdienen en voelde zich verplicht tot het hogere en betere. Aldus verliet hij zijn vader en moeder, sloot zich drie jaar aan bij de asceten, verliet ook hen, vond toen Buddha in eigen persoon, en hij wist dat zelfs dat niet goed genoeg voor hem was. Hij wilde nog hoger gaan naar waar de lucht al dun wordt en het ademen moeilijker gaat: waarschijnlijk was niemand van hem daar ooit gekomen. Toen hij daar aankwam, pauzeerde hij even. Het was het einde van dit pad en hij zag in, dat hij een verkeerde weg was ingeslagen.
Nu wilde hij de andere kant op. Hij ging naar beneden, kwam in een stad, veroverde de mooiste courtisane, werd partner van een rijke koopman, werd al snel rijk en hoog in aanzien. Maar hij was niet helemaal in het dal afgedaald. Hij hield zich slechts op aan de bovenste rand.  Om zich volledig in te zetten miste de moed. Hij had een minnares maar geen vrouw, had een zoon maar was geen vader. Hij had de kunst van de liefde en het leven geleerd, maar niet de liefde en het leven zelf. Als hij niet was aangekomen, begon hij het te verachten totdat hij er genoeg van kreeg en ook dit verliet.
Hier pauzeerde de meester. “Misschien herkennen jullie het verhaal” zei hij en “en jullie weten ook hoe het afgelopen is.” Er wordt gezegd dat de man uiteindelijk nederig en wijs werd en zich wijdde aan de gewone dingen in het leven. Maar wat betekent dat als er daarvoor al zoveel gemist is? Voor wie het leven vertrouwt, is het voor de hand liggende niet de hete brij waar hij omheen draait of waar hij in de verte naar toe sluipt. Hij beheerst eerst het gewone. Want anders het ongewone -vooropgesteld, dat dat bestaat- slechts als de hoed op een vogelverschrikker.
Maar één van hen bedacht zich. Hij ging nog een keer naar de boom, ging er zitten en keek in de verte, totdat het in zijn innerlijk rustig werd. Dat wat hem dwars zat, stalde hij uit zichzelf en voor zich uit, als iemand die na een lange wandeling zijn rugzak uittrekt voordat hij gaat rusten. En hij voelde zich licht en vrij.
Daar stonden ze voor hem: zijn verlangens, zijn angsten, zijn doelen en zijn werkelijke behoeften. En zonder beter te kijken of iets speciaals te willen
– eerder als iemand die het onbekende in vertrouwen neemt- wachtte hij, opdat het uit zichzelf geschiede, zodat alles daar zich zou voegen naar de plek die hem in het geheel toekomt, gemeten naar naar zijn eigen gewicht en rang.
Het duurde niet lang en hij merkte buiten minder werd naar buiten ging, alsof sommigen wegslopen als op heterdaad betrapte dieven die het in de verte zoeken. Toen ging hem een licht branden. Wat hij als zijn eigen verlangens beschouwde, evenals zijn eigen angsten en doelen, zij hebben hem nooit toebehoord. Die kwamen heel ergens anders vandaan en hadden zich slechts ingenesteld. Maar nu was zijn tijd voorbij.
Er leek beweging te komen in dat wat er voor hem nog over was. Wat hem echt toebehoorde, keerde terug naar hem terug en alles nam zijn rechtmatige plek in. In hun midden verzamelde zich een kracht en toen herkende hij zijn eigen bij hem behorende doel. Hij wachtte nog even tot hij het zeker wist. Toen stond hij op en vertrok.

De volheid

Een jongere vroeg een oudere:
“Wat onderscheidt jou,
die er bijna was,
van mij,
dat zal ik nog zijn? ”

De oude man zei:
“Ik ben meer geweest.

Weliswaar lijkt de jonge dag,
die komt,
meer dan de oude,
omdat de oude voor hem was.
Maar ook hij kan
hoewel hij komt
slechts zijn, wat hij al was
en hij wordt meer
meer dan hij ook was.

Net als de oudere
stijgt ook hij in het begin
steil omhoog naar de middag,
bereikt nog voor de volle hitte de hoogste stand
en blijft, zo lijkt het,
een tijdlang op die hoogte –
totdat hij,
hoe langer hoe meer,
alsof er een groeiend gewicht aan hem trekt,
diep bukkend in de avond,
en hij wordt heel
als hij,
zoals de oude
heel geweest.

Maar wat geweest is,
is niet voorbij.
Het blijft,
omdat het was
werkt,
hoewel het was,
en wordt het nieuwe na hem
meer.
Want als een ronde druppel
van een wolk die voorbijging
duikt wat geweest is,
onder in een een zee die blijft.

Alleen dat wat nooit iets kon worden,
omdat we het slechts droomden,
maar niet ervaarden,
dachten,
maar niet deden,
en hebben weggegooid
maar niet als prijs voor wat we hebben gekozen, betaald,
dat is voorbij:
daar blijft niets van over.

De God van het juiste moment
komt ons daarom voor als een jongeling,
die vooraan een krul
en aan de achterkant een glad hoofd heeft.
Van voren kunnen we hem bij zijn krul pakken.
We achteren grijpen wij in de leegte. ”

De jongere vroeg:
“Wat moet ik doen,
dat uit mij
wat jij al was
nog wordt? ”

De oude man zei:
“Wees!”

Over de schrijver
Eerst reisleider in Egypte, daarna in loopbaanland en nu in zielenland.
Reactie plaatsen